Bezoekers site

  • 9674Totaal aantal bezoekers:
  • 2Bezoekers vandaag:

Lokale geschiedenis


Historische verhalen over Susteren

Inleiding
Het historisch verhaal over Susteren heeft vooral een kerkelijke basis gehad. Men verhaalt over de kloosterstichting van Willibrord begin achtste eeuw en een vrouwenklooster rond 900, waarbij koning Zwentibold van Lotharingen een belangrijke rol gespeeld heeft. De belangrijkste heiligen uit beide kloosters werden in de volle middeleeuwen gepromoveerd tot patroonheiligen van de nieuwe abdij: Amelberga, Albericus en bisschop Gregorius. Aan het verhaal over de abdijen zal later aandacht geschonken worden. Wij zullen ons nu vooral bezig houden met de ontwikkeling van de plaats en het rechtsgebied Susteren. Eerst zullen we kort blijven stilstaan bij menselijke activiteiten in het latere rechtsgebied Susteren. Hieronder verstaan wij het gebied dat tussen midden dertiende eeuw (1260) en eind twintigste eeuw (1982) onder diverse namen bekend stond: gemeente, stad, kerspel, parochie.

Prehistorie van Susteren
Wij noemen alles prehistorie wat gebeurt is voor de eerste kiemlegging van de bewoning die leidde tot Susteren. De prehistorie eindigt met de periode na de bewoning in de Romeinse periode waarbij onze streek tijdelijk geheel ontvolkt is.  Zonder al te nauwkeurig te kunnen zijn kunnen we deze periode bepalen op in en rond de vierde eeuw na Christus. Wellicht vooral vanuit het zuiden wordt het gebied weer langzaam bevolkt . In deze periode is archeologisch in het grensgebied van Susteren en Roosteren bewoning aangetoond (vierde/ vijfde eeuw).

  • Steentijden
  • Metaaltijden (brons, ijzer)
    -Bronstijd in de Mehre
    -IJzertijd bij de Amelbergakerk
  • Romeinse tijd
    -Zoals in de hele streek werden ook in Susteren op diverse plaatsen vondsten uit de Romeinse tijd gedaan. Zo is vermeldenswaard dat de overlevering verhaalt dat in de huidige beeldentuin een bakoven uit die tijd gezien is.
    -Belangrijkste vondsten zijn evenwel in de negentiende en midden twintigste eeuw gedaan in het veld grenzend aan de bewoning van Feurth, de noordoostzijde. De veldnaam is Koye. Hier werd een klein grafveld van veertien graven ontdekt uit de tweede/ derde eeuw na Christus. Dit duidt op de gebruikelijke woonkern uit die Romeinse tijd van één tot drie boerderijen. Wellicht heeft er één of twee boerderij(en) gestaan binnen de latere woonkern Feurth.

Vroeg middeleeuwse nederzettingen
Nederzettingen waren in deze eeuwen (500-1000 na Christus) eilandjes in het landschap. Slechts een klein gedeelte van het landschap was geschikt ervoor. Veel was belangrijk voor de vorming, zoals de ligging aan goede verbindingswegen, vaak aan de rand van een rivier- of beekdal. Hierdoor waren er natte gronde aan de waterkant voor weilanden en voor hooilanden. Aan de andere kant van de weg bij die rand van het dal was akkergrond nodig. Verder waren er woeste gebieden nodig met bos voor het hout en weiden van varkens.
Een dergelijk systeem vinden we bij Feurth, weliswaar niet langs de rand van een beek, maar langs de rand van een terras. De weilanden (Koye of Koeweide) en hooilanden (broeklanden als Lesschenbroek en de Rijdt) lagen op het natte terras en de akkers aan de andere kant van de weg (Munster-, Middel- en Lentveld). Bosgebied begon aan Heulst en ging over in het IJzerenbos (Helsene). De weg waaraan de bewoning kwam was een gedeelte van de noord-zuid verbindingsweg aan de oostzijde van de Maas. In de Franse tijd (1800) werd deze weg  la grande route de Maastricht à Roermond  genoemd. Tussen Maastricht en Susteren werd ze ook wel de weg van Maastricht naar Susteren genoemd (Meerssen). Belangrijk was ook de moerasweg naar Isenbruch, welke de verbinding vormde  met wegen door het dal van de Rode beek en door het dal van de Saeffelerbach.
De ouderdom van de nederzetting ligt archeologisch niet vast, maar kan gekoppeld worden aan te Sittard en Echt gevonden grafvelden welke in de zesde eeuw beginnen. Ook de volgende nederzetting duidt op deze datering.

Een tweede nederzetting kreeg Susteren nadat onze streek gekerstend was. Aangezien het einde van de grafvelden in de tweede helft van de zevende plaatsvinden, wordt de kerstening als voltooid beschouwd in de tweede helft van de zevende eeuw. In deze tijd is archeologisch aangetoond het begin van de kloosternederzetting bij de huidige Amelbergakerk. De abdij bestond uit een zaalkerkje, een woonstalgebouw, schuur en kuilhutten. Ook kenden men tuinen, als een moestuin, een groentetuin en een kruidentuin.

Naast het zaalkerkje bij de kloosternederzetting zal er een tweede kerkje bij de landbouwnederzetting hebben gelegen. In de vroege en volle middeleeuwen is dit de parochiekerk van het gebied zijn geweest en waarbij het gebouw lag waar de eerste missionerende monniken of geloofsbrengers woonden. In latere tijden werd dit het Papenmunster genoemd, welk buiten de muren van het latere stadje Susteren lag.

Volle of Hoog middeleeuwse nederzettingen.
In de elfde eeuw worden er twee nieuwe nederzettingen toegevoegd. Door deze nederzettingen blijft er nog een groot aaneengesloten gebied (een vijfde deel) nog onontgonnen. Dit is de noordoosthoek waar een groot heidegebied ontstond. Dat zou pas rond 1900 ontgonnen worden.
Een nederzetting, Dieteren, is een direct gevolg van het ontginnen van grote gebieden grond. De huidige Middelgraaf is het belangrijke afwateringskanaal van het gebied. Het eerste teken van bewoning is de Koppelberg, welke bestond uit twee door mensenhanden opgeworpen heuvels, waarop op de ene een versterking voor in tijden van nood en de andere voor de alle daagse beslommeringen. Op enige afstand ontstond met de ontginning de oude kern van Dieteren rondom het huidige kerkhof. Dit uiteraard omdat hier de best bewoonbare plaats in het gebied lag, tevens aan een verbindingsweg vanuit Feurth naar Oud-Roosteren en de Maas (Louerstraat, Kampstraat).

De latere markt van Susteren is ontstaan uit de wegtracés van de grote verbindingsweg langs de Maas en een aftakking van de landbouwnederzetting (Feurth) naar de kloosternederzetting (Amelbergakerk). Hier ontstond een prestedelijke nederzetting. De ambachtslieden en kooplieden, die aangetrokken waren door de grote nieuwbouw van de abdij van Susteren. Deze nieuw bouw heeft wel anderhalve tot twee eeuwen geduurd. Deze mensen vestigden zich aan de markt.
De nieuwbouw van de abdij was een indirect gevolg van het feit dat de Ottoonse keizers hun macht vestigden in onze streken. In ons buurt was het de heer van Wassenberg die omstreeks 1020 de orde herstelde. In 1118 komen we als zoon van de heer van Valkenburg, Goswijn van Susteren tegen. Dit is de latere Goswijn I van Valkenburg, waardoor Susteren vanuit Wassenburgse handen in die van Valkenburg terecht kwam.
Een tweede grote groep mensen werden aangetrokken door  de grote ontginning tussen de twee beken Rode beek en Geleenbeek. Er werd “in het midden” een groot afvoerkanaal aangelegd, dat wij kennen onder de naam Vloedgraaf. Deze laatste woonkern, Susteren, overvleugelde al gauw de ander kernen, wat het dus vooral te danken had aan de ligging bij de abdij.

Het Susteren van omstreeks 1000 zou in grote lijnen het Susteren blijven zoals wij dat kennen uit het begin van de negentiende eeuw (Tranchotkaart en kadasterkaart)

Susteren stadsrecht
Ongetwijfeld door het belang het belang van de vrouwenabdij werd het gebied met de abdij en de bewoning rondom de markt en langs de uitvalswegen ervan versterkt en kreeg het stadsrecht. Het proces van stadswording zal zijn eindpunt gevonden worden rond het jaar 1260. In dat jaar worden de inwoners burgers genoemd en blijkt men over eigen financiën te beschikken. De plaats lijkt in dat jaar nog niet van wal en gracht voorzien te zijn, maar enkele jaren later wordt het opidum ofwel versterking, stad genoemd. In 1312 is de eerste vermelding in het Diets als  stad.
De wapens van Susteren tonen ons dit proces. We zien dat het wapen van Dirk II van Valkenburg gebruikt wordt. Dit is een leeuw. Verder zien we de abdij symbolisch weergegeven door twee adellijke dames, die de valken voor de jacht aan het africhten zijn

Inrichting als stad
Het bestuur, rechtspraak en beveiliging van de stad werd onder meer verzorgd door enkele organen van het stadje zelf:

  • De magistraat of raad. De leden hiervan werden raadsleden of raadsverwanten genoemd. In de praktijk noemde deze zich wanneer ze ook schepen waren met deze titel. In de tijd tot omstreeks 1700 waren alle zeven raadsleden tevens schepen. De raad is het bestuursorgaan van het stadje, het stadsbestuur
  • De schepenenbank is het rechtsprekend orgaan. Dit was niet gekoppeld aan het stadsrecht aangezien ook kernen zonder stadsrecht een schepenbank bezaten, vaak samen met andere woonkernen
  • De schutterij was het plaatselijke verdedigingsorgaan. Maar de taak van de schutterij was veelomvattender. Ook taken die wij toeschrijven aan brandweer en politie behoorde tot hun taken. Er was een orgaan waarvan de leden door de heer van Susteren( heren van Valkenburg, hertogen van Gulik) benoemd werden: Broederschap van schutten St. Sebastianus. Tevens waren de jongeren verbonden in de jonggezellenschutterij St. Petrus en Paulus, genoemd naar de patronen van de toenmalige parochiekerk.

We komen nog twee broederschappen tegen. Al hoewel we het begrip  gilde in de Susterense documentatie niet voorkomt is het hiermee het beste te begrijpen. Er is de broederschap van St. Nicolaas wellicht waren hierbij de verschillende kooplieden aangesloten. En verder het St. Annabroederschap. In deze ter ziele gegane broederschap, wellicht in de zestiende eeuw al, waren de mensen aangesloten welke vooral in de lakenindustrie hun kost verdienden.

Laathoven van Dieteren en van de abdij
Binnen  het stadsgebied waren nog twee laathoven. Een laathof was een lagere rechtbank. Men oordeelde over de goederen van de heerlijkheid Dieteren of de abdij Susteren. Vaak was dat meer goed bijhouden wie welke goederen in leen had ontvangen en de voorwaarden ervan. De leden van de laathof werden wel met schepen aangeduid, maar meestal ziet men deze genoemd als  leenman. Het waren mannen die een of meerdere lenen van de heerlijkheid of abdij in leen hadden ontvangen. Wanneer men niet akkoord ging men een uitspraak van de laathof kon men in hoger beroep bij de schepenenbank van Susteren

De versterking
Een stad was versterkt en dat betekent dat het een omlopende gracht met daarbinnen een wal of muur had. De aardenwal was in het algemeen opgeworpen met grond die vrijkwam bij het graven van de gracht. De gracht was ongeveer vijf meter breed en de wal tussen de vijf en twintig meter. Aan de binnenzijde van de wal lag nog een smallere, omlopende gracht. Deze had niets met de versterking te maken. Deze gracht was aangesloten op de stadsweieren ofwel stadsvijvers. Deze hadden kennelijk tot doel om veel water toegankelijk te maken overal in het stadje en wel ingeval van brand als bluswater. Brand was een van de grootste vijanden van de middeleeuwse stad.
Om het omringende land te bereiken vanuit de versterking of stad had met poorten nodig. De noord-zuid verbindingsweg aan de oostzijde van de Maas liep dwars door de versterking en het kende twee poorten: de Winkelpoort en de Feurderpoort. Er was nog een derde poort, die verbond het stadje met het gehucht Root met de molen van de abdij. Dit was de Ploeghenpoort. Bij een grote herstelling van de versterkingswerken werd deze laatste poort aan het einde van de Middeleeuwen opgeheven.
Naast de poorten en de stadsweieren zijn op de kaart ook aangeduid het middeleeuwse stad- of raadhuis, lag op de markt, het 19e eeuwse raadhuis, het gasthuis, de stadsmolen, de abdijkerk en de parochiekerk. De perceelgrenzen in de nabijheid van de wal geeft de loop van de kleine gracht aan die begin negentiende eeuw reeds gedempt was.

Het stadshuis
Ergens op de markt stond in onze streken het stadhuis. Een duidelijke indruk van dat gebouw is ons bewaard door een tekening van Nieuwstadt. Het blijkt een gebouw op palen. Boven de ruimten op de eerste verdieping is nog een spits toelopend dak waaronder een zolderruimte. Het gebouw op de palen werd onder meer het stadhuis genoemd. De begane grond werd voor meerdere doeleinden gebruikt. Zo zien we dat de mannen hieronder verzameld worden om de leenhulde te brengen aan de nieuwe heer. Ook vinden we wel dat hier de paarden verzameld werden. Een andere functie was het markt houden. Met name werd er laken verhandeld in de middeleeuwen, waarom het ook wel gewandhuis werd genoemd. Het blijkt ook dat er een soort gevangenis aan het gebouw verbonden was.